Maak een bron-route-bestemmingkaart
Teken daken, regenpijpen, verharding, lage plekken, gevels, erfgrenzen en bestaande kolken. Geef met pijlen aan wat je tijdens een echte bui ziet. Noteer verschil tussen kort water op het oppervlak en grond die dagenlang nat blijft.
Meet peilen vóór je een voorziening kiest
Gebruik peilen, afschot en waterroute om vaste punten en kritieke drempels vast te leggen. Een goot of put op een verkeerde hoogte werkt niet doordat hij op de tekening “afvoer” heet.
Kies techniek nadat bodem en ruimte bekend zijn
De vergelijking infiltratievoorziening of drainage onderscheidt tijdelijk schoon regenwater, structureel hoge grondwaterstand en een slecht doorlatende laag. Niet iedere natte tuin heeft drainage nodig en niet iedere bodem kan op dezelfde plek infiltreren.
Leg beheer en noodroute vast
Filters, goten, bladvangers en inspectiepunten moeten bereikbaar blijven. Beschrijf wie ze controleert en hoe zichtbaar wordt dat een systeem dichtslibt. Wijs een veilige overloop aan die water niet naar woning, buren of kwetsbare constructie stuurt.